Een persoonlijke ervaring in haar directe omgeving is al decennialang de drijfveer van Lia van Doorn om zich dagelijks in te zetten voor dak- en thuislozen in Nederland. Lia is lector Innovatieve Maatschappelijke Dienstverlening aan Hogeschool Utrecht en ze ziet in haar dagelijkse praktijk dat de traditionele dakloze niet meer bestaat. Ze vreest vooral ook voor de benarde positie van thuisloze jongeren die keer op keer tussen wal en schip vallen. Een gesprek over dakloosheid, de weg naar dakloosheid en preventie. ‘Niemand raakt met opzet dak- of thuisloos.’

“Tijdens mijn studie Pedagogiek in de jaren tachtig heb ik een tijd vrijwilligerswerk gedaan in de nachtopvang voor daklozen. Ik wilde graag zien hoe het leven er daar uitzag. Mijn jongere broer had op dat moment moeite om een plek in de samenleving te vinden en leidde op dat moment een los-vastbestaan. Soms wisten we niet waar hij was en dat zorgde voor veel stress in ons gezin. Ik vroeg me toen af waar hij terecht zou komen als hij echt op straat zou belanden. Mijn broer is gelukkig goed terecht gekomen, maar door deze ervaring weet ik hoe dichtbij dakloosheid kan komen. Dak- en thuisloosheid kan in alle families voor komen, dat vind ik een belangrijke boodschap om te verspreiden. Daarnaast hangt er een stigma van falen over dakloosheid heen: mensen (volwassenen én jongeren) die op straat belanden, maar ook ouders en hulpverleners, hebben het idee dat ze gefaald hebben. Niemand raakt met opzet dak- of thuisloos.”

De traditionele dakloze bestaat niet meer

“Mensen die anno 2020 dakloos worden hebben een heel ander profiel dan bijvoorbeeld aan het eind van de vorige eeuw. Vanaf 1995 nam het aantal daklozen fors toe. Het aantal daklozen verdubbelde. Dat had deels te maken met de financiële crisis van eind jaren negentig en een opendeurenbeleid in de geestelijke gezondheidszorg. Vaak waren de daklozen middelbare autochtone mannen met zorggerelateerde problemen als verslaving of psychiatrische ziektebeelden. Tegenwoordig zie je andere mensen op straat. Het zijn vaker mensen met huisvestigingsproblemen, vaker mensen met een migratieachtergrond, vaker jongeren en er zijn meer vrouwen dakloos geworden.”

“Dak- en thuisloosheid is een fluïde en cyclisch proces. We weten dat van de volwassen daklozen die zich melden bij de maatschappelijke opvang meer dan de helft al eerder dakloos is geweest. Vaak gaat het om mensen die als het even tegenzit over het randje vallen en opnieuw dakloos worden.”

‘Dak- en thuisloosheid kan in alle families voorkomen’

“Dat heeft tot het inzicht geleid dat we bij de nazorg veel langer naast ex-daklozen moeten blijven staan om te voorkomen dat ze weer op straat belanden. De eerste keer zijn mensen erg geschrokken van het leven op straat en meestal sterk gemotiveerd om hulpverlening te accepteren en gemotiveerd om heel erg snel een eigen plekje te vinden. Maar na de derde of vierde keer is die motivatie wel weg en zijn ze ook niet zo geschrokken meer. Ze weten immers hoe ze op straat kunnen overleven.”

“Voor de ongeveer 12.600 dak- en thuisloze jongeren in Nederland is de situatie extra complex. Zij zijn vaak mentaal beschadigd door hun jeugd, hebben een laag zelfbeeld en kunnen vaak geen langetermijndoelen vasthouden. Daarnaast is er ook sprake van kansenongelijkheid. Neem het verhaal van Kyra uit de pilot van het Bouwdepot. Haar ouders lijden aan alcoholisme, en waren niet bij machte om hun eigen leven vorm te geven en droegen hun eigen problemen over aan hun kind. Dat moet je zien te doorbreken. In de huidige situatie beginnen thuisloze jongeren zoals Kyra – waarvan de ouders, omdat ze buiten beeld zijn of overleden, tussen hun 18e en 21ste verjaardag niet kunnen voldoen aan de wettelijke onderhoudsplicht – met een grote achterstand aan hun volwassen leven. Een bijstandsuitkering van 255 euro per maand is onvoldoende om van te leven en ik vind dat je als samenleving niet moet willen dat deze jongeren door een onzekere thuisbasis met zo’n achterstand in het leven starten. Je hebt namelijk in Nederland een enorme streep voor en geluk als je uit een nest komt met ruime financiële mogelijkheden en warmte tijdens de opvoeding.”

Ingrediënten die leiden tot dakloosheid

“Er zijn vaak voorbodes van dakloosheid, ook bij jongeren. Het kan zijn dat een jongere in een kwetsbare situatie of thuissituatie belandt of zelf problemen heeft en af en toe wegloopt van huis. Als ze het ouderlijk huis al verlaten hebben, merk je dat ze kwetsbaar zijn door tijdelijke woon- en arbeidscontracten of een leven als bankhopper: op de bank bij een vriend. Dan zouden er ergens alarmbellen moeten afgaan, bijvoorbeeld op school, want zo’n situatie is funest als de ouders echt uit beeld zijn en niet aan de onderhoudsplicht kunnen of willen voldoen. Dan heb je al snel ingrediënten die met elkaar kunnen leiden tot dakloosheid. Tegelijkertijd zijn er altijd mensen in de omgeving van de jongeren – misschien een opa, oma, docent of buur – die wellicht kunnen opmerken dat het niet goed gaat met hun neefje, buurjongen of klasgenoot. Misschien zou het kunnen helpen om een meldpunt in te stellen waar zij hun zorgen over dreigende dakloosheid kenbaar kunnen maken.”

Ook beschouwen we dakloze jongeren vaak onterecht als eenlingen, mensen die alleen staan in het leven: dak- en thuisloze jongeren. Het familienetwerk, hun bloedverwanten, hebben ze nog steeds: ouders, zussen, broers, ooms of tantes. Op preventievlak valt er nog veel winst te behalen door pogingen te ondernemen die kunnen leiden tot het herstel van contacten tussen de jongeren en hun bloedverwanten.”

Een Bouwdepot vol rust

“Ik zou zelf in paniek raken als ik – net als de jongeren – ineens met 255 euro per maand zou moeten rondkomen. Ik zou me in zo’n situatie grote zorgen maken, ook omdat je bij allerlei calamiteiten – een kapotte fiets of kapotte wasmachine – geen buffer hebt om die te laten repareren.” Het is bijvoorbeeld in deze coronatijd ook erg moeilijk om werk te vinden. Thuiswerken heeft ook een hele andere dimensie erbij gekregen. Om te kunnen voldoen als werknemer moet je eerst een huis hebben en benodigdheden om thuis te kunnen werken.

‘We moeten deze jongeren met een Bouwdepot steunen’

“Een Bouwdepot van 1050 euro per maand kan dan veel rust brengen. De jongeren hoeven zich even geen zorgen te maken over geld. Hopelijk worden ze een tijd echt ontzorgd, hoeven ze niet meer van dag tot dag te leven en komen ze eindelijk toe aan het maken van toekomstplannen. Al is het ook belangrijk dat ze hierbij ondersteuning krijgen; iemand die de jongeren helpt om een groot, meeslepend plan voor de toekomst behapbaar te maken, en naast deze jongeren te staan op het moment dat het even tegenvalt. Dat zou idealiter een rol zijn voor een ouder of ouders, maar de begeleiders van de jongeren nemen die coachende rol van ouders over.”

“Ik kan me voorstellen dat politici of beleidsmakers naar deze pilot kijken en zeggen: ‘Waarom zou je deze jongeren 1050 euro per maand moeten geven, terwijl ze hun leven hebben verkloot?’ Toch denk ik dat we deze jongeren op deze manier moeten steunen en te voorkomen dat ze een leven lang in de bijstand terechtkomen. Ze zijn vaak niet met opzet in deze situatie terecht gekomen. Eigenlijk willen alle daklozen – dat geldt voor jongeren en volwassenen – een huisje-boompje-beestjebestaan met een leuk huisje, een goede baan.”

Lia van Doorn (1961) studeerde Pedagogiek aan de Universiteit Utrecht (UU). Ze was als onderzoekster verbonden aan de Faculteit Algemene Sociale Wetenschappen van Universiteit Utrecht. In 2002 promoveerde ze op Een tijd op straat. Een volgstudie naar (ex-) daklozen in Utrecht (1993-2000). Sinds 2007 is ze lector Innovatieve Maatschappelijke Dienstverlening bij het Kenniscentrum Sociale Innovatie van de Hogeschool Utrecht. Ze richt zich op (hulp- en dienstverlening aan) mensen in de marge van de samenleving en op beroepsethiek in het sociaal werk.