SZN (Stichting Zwerfjongeren Nederland) wil samen met betrokkenen een meerjarig programma opstellen voor onderzoek naar dak- en thuisloze jongeren. Als aanzet zette daklozenexpert Lia van Doorn van de Hogeschool Utrecht met een quickscan het onderzoek sinds 2010 op een rij. “Onderzoek naar het gezin is een grote blinde vlek.”

Lia van Doorn werkte lang als vrijwilliger met daklozen in Utrecht. Ze leerde hun leven kennen, won hun vertrouwen en kon hen jarenlang volgen. Het resulteerde in het proefschrift Een tijd op straat, nog veel meer onderzoek naar daklozen en aanverwante thema’s, en een aanstelling als lector Innovatieve Maatschappelijke Dienstverlening bij – en directeur van – het Kenniscentrum Sociale Innovatie van Hogeschool Utrecht. In opdracht van SZN maakte ze een quickscan van het onderzoek naar dak- en thuisloze jongeren sinds 2010. Met docent-onderzoekers van het lectoraat zocht ze uit welke studies en wetenschappelijke artikelen sinds 2010 zijn verschenen over ‘zwerfjongeren’ en ‘dak- en thuisloze jongeren’.

Op 26 november presenteert ze haar bevindingen op een expertmeeting die SZN organiseert om met jongeren, universiteiten, hogescholen, landelijke advies- en kennisinstituten, beleidsmakers, politici, fondsen en onderzoekers de mogelijkheden te bespreken voor een gezamenlijk onderzoeksprogramma naar (het voorkomen van) dakloosheid onder jongeren. Daarmee kan SZN sturen op effectief beleid, interventies die beter aansluiten bij jongeren en het voorkomen van jongerendakloosheid.

Wat valt je op aan het onderzoek naar dak- en thuisloze jongeren?

“Er is heel weinig onderzoek dat interventies onderbouwt. Wonen in een pension wordt bijvoorbeeld steeds ingezet, net als gemengde woonvormen. Overheid en gemeenten steken er een hoop geld in. We weten alleen niet of het werkt, want er worden nauwelijks jongeren gevolgd die in zo’n pension of gemengde woonvorm wonen. Housing First wordt ook veel ingezet. Daarbij krijgen daklozen meteen een woning. Vervolgens krijgen ze intensieve begeleiding bij zaken als werk of dagbesteding zoeken en schulden oplossen. Dit werkt goed in de Verenigde Staten en Finland en is daar veel onderzocht, maar vooral op het effect op volwassen daklozen. Hoe het werkt bij jongeren, weten we niet.”

Waar zitten hiaten?

“Bij onderzoek naar preventie van dakloosheid gaat het vaak over wat school en jeugdhulp kunnen doen, het gaat zelden over het gezin. Daar zit wat mij betreft een grote blinde vlek. Er is nog nooit onderzoek gedaan waarbij de jongeren én de ouders worden geïnterviewd; wat is er in de ogen van de ouders gebeurd dat hun kind is gaan zwerven? Wat is er in de ogen van de jongere gebeurd? Wat had hen geholpen om dit te voorkomen? De kostendelersnorm waardoor een kind uit huis wordt gezet, een kind dat niet met een stiefouder overweg kan – ik zou graag weten wat je in dat nog heel prille stadium zou kunnen inzetten om te voorkomen dat het kind uit huis gaat.”

“Een ander gemis is dat in veel onderzoek geen onderscheid is gemaakt naar sekse en etnische herkomst. We weten nu uit onderzoek van het CBS dat in het toenemende aantal dak- en thuisloze jongeren, het aantal jongeren uit migrantenfamilies erg stijgt. Hoe lang worden jongeren hier binnenboord gehouden? Worden ze uitgestoten? Daar weten we weinig van.”

‘Met gericht langere-termijnonderzoek zijn beleid en maatregelen mogelijk die echt werken’

“Ook is er weinig onderzoek gedaan naar helpende en belemmerende regels. Terwijl één van de vijf actielijnen in het Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren ‘helpende regels’ is. We hebben alleen vermoedens, bijvoorbeeld dat de kostendelersregeling belemmerend is. En dat veel jongeren uit de zorg verdwijnen, omdat ze bij 18 jaar uit de jeugdhulpverlening worden gezet en overgaan naar de volwassenenzorg. Ik denk dat ook veel regels rond huisvesting belemmerend zijn. Veel jongeren zijn al heel gelukkig met een eigen plekje. Betaalbare woningen voor eenpersoonshuishoudens zijn daar geschikt voor, maar die worden weinig gebouwd. We weten ook dat veel thuisloze jongeren op het platteland hun toevlucht zoeken tot caravans en vakantiehuisjes. Maar het beleid is vakantieparken op te ruimen als ze wat verloederen en de vaste bewoners te verjagen. Kraakpanden, een ander rafelrandje waar jongeren terechtkonden, verdwijnen ook.”

Lia van Doorn vindt het ook een gemis dat het onderzoek naar dak- en thuisloze jongeren niet op één plek beschikbaar is. “Het onderzoek is nu wat versnipperd, en niet goed vindbaar. Als je al het onderzoek als open source bij elkaar hebt, kunnen onderzoekers zich inlezen in wat al is onderzocht en zien wat er nog ontbreekt. Beleidsmakers en anderen kunnen bovendien gemakkelijker gebruikmaken van de beschikbare kennis uit onderzoek.”

‘Het helpt als je deelt waarmee je bezig bent en elkaar scherp houdt’

Gebeurt er iets met de aanbevelingen uit de onderzoeken?

“Daar heb ik geen zicht op, al weet ik dat een aantal onderzoeken wel landt. Het maakt in ieder geval uit of het moment ernaar is. In mijn promotieonderzoek gaf ik aan dat mensen die pas op straat zijn, recent daklozen, speciale ondersteuning nodig hadden om te voorkomen dat ze tot de harde kern van langdurig daklozen zouden gaan behoren. Recent daklozen hadden vaak maar een klein zetje nodig om hun leven weer op de rails te krijgen. Dat viel in goede aarde, want op dat moment werd de daklozenopvang geprofessionaliseerd en was er meer aandacht voor de behoeften van verschillende groepen daklozen. In de onderzoeken die nu worden gedaan, wordt vaak gewezen op het enorme tekort aan woonruimte. Die aanbeveling valt op dit moment niet in goede aarde vanwege de krapte op de woningmarkt.” Wat onderzoeken in ieder geval effectief maakt, is praktijkgericht onderzoek, zegt Lia van Doorn. “Als hogeschool doen wij dat altijd. Ons onderzoek eindigt nooit met een rapport dat in een la kan belanden, maar met een concrete aanpak voor verbetering in de praktijk. ”

Wat vind je van SZN’s plan om een gezamenlijk onderzoeksprogramma op te stellen?

“Zinvol. Er zijn zoveel onderzoekers die regelmatig onderzoek doen naar zwerfjongeren, maar ze komen elkaar niet vanzelfsprekend tegen. Daardoor ontstaat een palet aan onderzoeken die niet per se passen in een groter geheel. Als onderzoekers zich committeren aan een onderzoeksprogramma, voorkom je versplintering. SZN kan aangeven wat zij als belangrijkste opgave ziet en waar lacunes in kennis zitten, zodat de onderzoekers zich daarop kunnen richten. Ook kunnen onderzoekers hierdoor elkaar leren kennen, tips geven en elkaar makkelijker vinden om samenwerkingen en grotere consortia op te zetten. Het helpt als je met elkaar deelt waarmee je bezig bent, elkaars teksten becommentarieert en elkaar scherp houdt.”

‘Als je al het onderzoek als open source bij elkaar hebt, kan iedereen gebruikmaken van de beschikbare kennis’

Willen onderzoekers wel met elkaar samenwerken?

“Het onderzoek naar dak- en thuisloze jongeren is zo’n breed thema en we weten zo weinig – er is genoeg te doen voor onderzoekers. Ze hoeven elkaar niet in de weg te zitten. Ik zie vooral mogelijkheden om de krachten te bundelen.”

Wat kan de rol van jongeren zijn in het onderzoeksprogramma?

“Ervaringsdeskundigen – dakloze jongeren en ex-dakloze jongeren – zouden kunnen meedenken over onderzoeksonderwerpen en -vragen, mede-onderzoeker kunnen zijn. Dat levert veel op. Voor een onderzoek waarin we zicht wilden krijgen op oud-bewoners van daklozenopvang Pension Singelzicht in Utrecht, hebben we koppels gemaakt van zwerfjongeren en vierdejaarsstudenten sociaal werk. De zwerfjongeren kwamen op de Hogeschool, ze kwamen in contact met leeftijdgenoten met een ander leven, ze kregen samen met de studenten training in interviewen en sociale vaardigheden, een certificaat. We hebben ook oud-bewoners laten meedenken over de onderzoeksvragen. Zij zeiden bijvoorbeeld: je moet niet alleen vragen hoe oud ben je, maar ook hoe oud voel je je? En als een geïnterviewde oud-bewoner z’n situatie te rooskleurig voorstelde, namen de studenten dat voor waar aan, maar de dakloze jongeren vroegen door en prikten er meteen doorheen. Door hun aandeel in het onderzoek blijven jongeren eigenaar van hun verhaal, doen ze waardevolle en positieve ervaringen op en heb je een veel sterkere lobby naar beleidsmakers en politici.”

‘Hoe kunnen we families in stress ondersteunen als jongeren eruit dreigen te vallen?’

Wat zijn je aanbevelingen voor het onderzoeksprogramma?

“Ik zou allereerst een onderzoek starten naar de rol van naasten en bloedverwanten van dakloze jongeren. Wat kunnen zij betekenen? Wat hebben ze geprobeerd? Waar hadden ze hulp nodig gehad? Hoe kunnen we families in stress ondersteunen als jongeren eruit dreigen te vallen? Ik zou experimenteren met Housing First voor dakloze jongeren en meteen onderzoeken of dat werkt.”

Lia van Doorn verwacht dat het gaat lukken, een gezamenlijk onderzoeksprogramma naar jongerendak- en thuisloosheid. “Onderzoekers zijn nieuwsgierig, ze willen aan de slag. We kunnen hiermee kennislacunes vullen en onderzoeken richten op de middellange- en langetermijn. Zodat beleidsmakers op basis van gefundeerde kennis beleid en maatregelen kunnen nemen die echt werken.”

‘Onderzoekers zijn nieuwsgierig, ze willen aan de slag’

Als daklozenexpert en ras-onderzoeker borrelt ze al van de ideeën: “Ik kan me voorstellen dat we op termijn ook een onderzoek gaan richten op dakloosheid die van generatie op generatie wordt doorgegeven. Ook kinderen van daklozen zijn kwetsbaar, daarom is het belangrijk om met ex-daklozen contact te houden.” Verder zou ze graag een helder kostenplaatje kunnen presenteren van jongerendakloosheid versus preventie. Ze ziet het al voor zich: de levensverhalen van een aantal dakloze jongeren met bij elke interventie (zoals schuldhulpverlening, justitie) de kosten erbij, en het gewenste (preventie)scenario ernaast. “Daarmee kun je beleidsmakers hopelijk overtuigen dat preventie goedkoper is.”

Download

Karakteristieken van onderzoek naar zwerfjongeren in in Nederland vanaf 2010
Quick scan verricht in opdracht van Stichting Zwerfjongeren Nederland
November 2019

Lector Lia van Doorn